De Nederlandsche Leeuw, jaargang 23 (1905)

77 78 aanvullingen op zijne genealogie van Orsoy, ‚?Ę kan' ik het volgende mededeelen, op mijn beurt mij beleefd voor aanvullingen aanbevolen houdende. Steven van Soestdijk, geb. te ei. te tr. te Johanna Quint, geb. te st. te , Philippus Jacobus van Cloon, geb. te Amsterdam 24 Oct. 1664, st. te Rotterdam 10 Jan. 1738, raad en burgemr. van Schiedam, tr. te Agneta van de Walle, geb. te st. te Hendrik van Soestdijk, geb. te .... 26 Aug. 1672, st te .... 30 Maart 1743, hoofdofficier en burgemeester van Utrecht, tr. te . . . . 20 Juli 1713 Maria van Cloon, geb. te ... . Juni 1689, st. te . . . . 30 Juli 1760. Jan de Wijs, geb. te st. te . tr. te . - Cornelia Knijff, geb. te st. te Johann Gerhard von Weiier, geb. te st. te Utrecht 14 Febr. 1706, tr. te Groningen 1 Aug. 1673 Anna Wastelier, geb. te 1650, st. te Juni 1786. Mr. Pieter de Wijs, geb. te .... 11 Juli 1676, st. te . . . . 14 Juli 1739, ordinaris raad in den hove van Utrecht, tr. te Maria von Weiier, . geb. te , st. te . . . . 29 Oct. 1759. Philippus Jacobus Hendrik van Soestdijk van Cloon, geb. te .... 3 Oct. 1715, st. te . . . . 1767, raad en schepen te Utrecht, tr. te Utrecht 19 Jan. 1739 Anna Agneta de Wijs, geb. te Utrecht 5 Mei 1717, st. te Ngmegen 17 Maart 1756, na van haar eersten man gescheiden te zijn, trouwde zij met Th√©odore de Pepin Baron du Cayla, kolonel van een regiment in Neder¬≠ landschen dienst. Strijen (XXI, 160). ‚?? Eene geschiedenis van dit oude gewest, dat zijn naam ontleende aan de Striene, vindt ‚?? in zoover zij nog met eenige zekerheid is te leveren, ‚?? beter haar plaats in een historisch tijdschrift, en wordt dan ook niet verlangd. Men kan over betgeen vroeger te dien aanzien werd aangenomen, het Aardrijkskundig Woordenboek van van der Aa in voce raadplegen, beter nog de Beschrijving der Stadt en Lande van Breda van Th. E. van Goor, waaruit van der Aa hoofdzakeljjk te dezen opzichte schijnt te hebben geput. In het in 1902 uitgekomen werk van den Brusselschen professor L√©on van der Kindere ‚??La formation territoriale des principaut√©s Beiges au Moyen-Age', deel II, bl. 121, wordt gezegd, dat dit noordwestelijk deel der gouw Taxandri√ę nooit een bepaald afzonderlijk graafschap is geweest en later dan ook slechts een gewone heerlijkheid heeft gevormd. Sedert omstreeks 1190 komen in het Oirkondenboek van mr. L. Ph. C. van den Bergh ver¬≠ scheidene zulke heeren van Strijen voor. Van der Kindere geeft toe, dat de historische stichtster der abdij van Thorn, Hilswinde, vrouw van Ansfried, graaf van Taxandri√ę en Teisterbant, den lateren bisschop van Utrecht (cf. Witkamp II, bl. 512i oirkondelijk als ‚??gravin van Strijen' voorkomt, zooals men dan ook zien kan bij lezing van oirkonde 67 in het boven aangehaald Oirkondenboek, mede afgedrukt op bl. 6 van het I>te deel der Archieven van het Kapittel der hoogadellijke Rijks¬≠ abdij Thorn, uitgegeven door den Limburgschen archi¬≠ varis Josef Habets, doch herinnert er aan, dat deze oir¬≠ konde alle kenteekenen van authenticiteit mist. Er is veel hierover geschreven, het uitvoerigst wel door den heer Habets vd (zie bl. XII van het lste deel van zijn aangehaald werk). Baginer zou dus nimmer graaf van Strijen geweest zijn. Als hij zelf al als een geschiedkundig vaststaand persoon mag worden aangemerkt, kan hij daar echter goederen bezeten hebben. Zelf heb ik hem oirkondelijk nergens aangetroffen. Volgens bl. 79 van den Annuaire g√©n√©alogique 1875 zou hij zijne goederen onder zijne zonen verdeeld hebben in E. W. v. H. bijzijn van den Utrechtschen bisschop Bernulf en zou deze verdeeling in 1039 door Keizer Koenraad li zijn goed¬≠ gekeurd. Aldus ook van Goor, die op bl. 12 van zijn Beschrijving zegt, dat zijn oudste zoon Lambrecht daarbij Strijen, de jongere Hendrik Breda zou hebben gekregen. De vraag is nu, of van deze verdeeling dan wel van hare goedkeuring door den Keizer, in wiens laatste regeeringsdagen ze dan waarschijnlijk is gevallen (zie Witkamp II, bl. 516), eene oirkonde is opgemaakt en dat wel eene oirkonde, die niet evenals de bovengenoemde aan zooveel bedenking onderhevig is. Stond de goedkeuring oirkondelijk vast, dan zou men .*‚?Ę overhellen tot de meening, dat Strijen dan toch in elk geval wat meer was dan een bloote heerlijkheid, voor welker verdeeling ze wel niet vereischt was. Maar van Goor maakt geen melding van eenige oir¬≠ konde en schijnt zijn wetenschap slechts uit de Bredasche Kronijken te hebben. Al wat zulke chronieken vermelden, is nu natuurlijk niet per se onwaar, worden hare ver¬≠ halen echter niet op een of andere wijze gesterkt, dan is het bedenkelijk ze voor geheel juist aan te nemen. Ze blijven dan altijd meer of min legendarisch en als zoo¬≠ danig zal dan ook wel moeten worden aangezien, wat van Goor, en op diens voetspoor van der Aa, verder om¬≠ trent Raginer mededeelt, namelijk dat hij de Strijensche goederen, in zoover niet door Hilswinde weggeschonken, zou hebben verkregen doordien zijne moeder Reinhilde eene zuster van deze laatste was, wier eenig kind Benedicta zich mede in het klooster van Thorn had teruggetrokken. Van Goor zwijgt er ten eenenrnale over, wie Raginer'a vader zou zijn geweest, en zegt ook, niet te hebben kunnen vinden met wie hij gehuwd is geweest. Geheel onaan¬≠ nemelijk is wel, dat zijne vrouw zekere Bieburgis, dochter van een Walcher, graaf van Teisterbant, zou zijn geweest, zooals in den Annuaire wordt vermeld. Was echter Raginer een historisch vaststaand persoon, dan ligt, met het oog op zijn naam en die zijner zonen, de gissing voor de hand, dat hij een tot nog toe onbekend gebleven zoon van Lambert, den eersten graaf van Leuven, kan geweest zijn. Zooals men weet, was deze een zoon