De Nederlandsche Leeuw, jaargang 37 (1919)

415 416 meester der domeinen van Heusden. 14 Jan. 1626. Jor. Oth van Suylen van der Haer en Juffr. Angnes de Segersvan Wassenhoven,echtelieden, testeeren 7 Junil626. David Snouck, wonende te Leiden, echtgenoot van Mechtelt Bevers, dochter van Hans Bevers en Sara Oliviers, 22 Aug. 1626. Joffr. Margareta Mol, weduwe van wijlen Eustace Vereyeken, rentmeester der contributiën over de Meyerij van den Bosch, testeert 14 April 1628. Jor. Philibert Olleger te Zwolle, zwager van Jor. Joris van Cuyck, Hees tot Herpt, 1633. Blijkens eene akte van 11 Mei 1668 waren Arnolda TJlgers, Jor. Cornelis TJlger en Jhr. Lubbert Ulger, kinderen van Jor. Wernard Ulger uit diens huwelijk met Joffr. Margaretha van Haeften, met hunnen vader geïnstitueerde erfgenamen van wijlen Amelia TJlgers, Vrouwe van Herpt. Coenraet Lintworm, kwartiermeester-generaal der rui­ terij, testeert 5 Sept. 1658. Ida en Petronella de Beveren verklaren 7 Febr. 1669 ten verzoeke van Bartholomeus Doirschot, ontvanger der convoyen en licenten te Rosendael, dat hare moeder wijlen Lucia Doorschot weduwe van den kapitein Pieter van Beveren dikwijls gezegd heeft, dat zij Bartholomeus voornoemd aan Matthijs Pompe, Heer van Slingelant, enz., had aanbevolen als lijfdienaar en dat deze hem in die hoedanigheid had aangenomen. Cornelis de Witt, kapitein, als man van Elisabeth Seys, dochter van wijlen Anthony Seys en Maria Campe van Bruheze, 26 Nov. 1668. Johan van Stockum, luitenant, zoon van Maria van Berckel, dochter van Embrecht van Berckel, zoon van Adriaen van Berckel en van Aelbertje Tholinx. Embrecht's zuster Johanna van Berckel was gehuwd met Ooyert de Weer. 25 Sept. 1667. Het verbreken en begraven van een wapen A° 1773, medegedeeld door W. Baron SNOUCKAERT VAN SCHAÃ?BURG. De gewoonte om het wapen bij de begrafenis van den laatsten mannelijken afstammeling van een geslacht te breken en de stukken met het lijk te begraven is in de 19e eeuw blijkbaar in onbruik geraakt. Gevallen hier­ van uit dezen tijd zijn mij althans niet bekend. Deze gewoonte heeft volgens van Alkemade in zijn Ceremonieel der begraavenissen, uitgegeven te Delft in 1713 bij Andries Voorstad, â??zijn oorsprong uit de tijden dat de wapen-schilden niet erfelijk waren aan het geslacht, doch gelijk dit geschiedde met de tekenen der ridderorden, eindigde met de dood der Ridders, want daar deze schilden beschilderd waren met de heldendaden des schildvoerders, zoo vermogt nog konde een ander, al waar 't zijn eigen zoon, met dezelve niet pronken, nog zig dezelve toepassen, ten ware zij zich wilden schuldig maken aan de misdaad van valsch­ heid en bedrog. Waarom ook dezelve schilden van ouds tegelijk met het lijk, het lijfpaard en de verdere wapenen en kleederen van den overledenen wierden begraven of verbrand', en verder zegt genoemde schrijver: â??En alhoewel bij ons in laater tijden de wapenschilden zijn geworden erfelijk, inzonderheid na de tijden van de kruistogten na Palestina, zoo is egter uit de voor verhaalde oude gewoonte nog overgebleeven het schild op 't graf aan stukken te slaan, en te gelijk met het lijk te begraven, wanneer den overledenen bevonden werd de laatste van 't mannelijk geslagt van zijne familie.' W. J. Baron d'Ablaing van Oiessenburg noemt in de Nederlandsche Heraut jaarg. 2 bl. 117 drie gevallen van wapenverbreking in de Groote Kerk alhier, te weten: bij de begrafenissen van Pieter de Veer 20 April 1764, Mr. Cornelis van der Beke 22 Juli 1782 en Mr. Johan Francois van Byemont op 1 Mei 1783. In dat zelfde tijd­ schrift jaarg. 4. bl. 103, zegt Jhr. Mr. P.A.vanden Velden (1887): â??het verbreken en in het graf leggen der wapens van uitgestorven geslachten heeft hier te lande tot onge­ veer het einde der vorige eeuw plaats gehad' en hij geeft daarbij een omstandig verhaal van de begrafenis op 3 Maart 1724 in de S'. Pieterskerk te Utrecht van Vrouwe Josina Antonia baronesse Taets van Amerongen in leven Douairière van Coenraad baron Borre van Amerongen. Zijn wapen werd eerst verbroken bij de begrafenis zijner weduwe, omdat, toen haar man werd begraven, zij in blijde verwachting was en de hoop op het voortbestaan van dit oude geslacht toen nog niet was vervlogen. Een nieuw geval van wapenverbreking trof mijn aandacht door de meer uitvoerige beschrijving daarbij aangeteekend in het grafboek der Kloosterkerk te 's-Gra­ venhage. Den nauwkeurigen koster zijn wij daarvoor dank verschuldigd, in eenvoudigen stijl verhaalt hij ons het volgende: â??Den 27e (Februari 1773) bij avond begraven in den 4n regel het 7de graf, de Heer Baron Leonart Stephanus Creuznach, voor het regt van de kerk f 12.â?? voor het openen en toedoen van 't Graf met een zark â?? 6.â?? voor het regt van Luijen â?? 1. 4 voor het gebruik van de Baar â??0.12 't gebruik van kaarsen â?? 0.15 't versetten van de Banken â?? 1.10 voor 't regt van een wapen te hangen dat verbroken is â??100:â?? komt de Coster voor 't wapen regt . . . â?? 6.â?? f128. 1 voor extra kaarsen â?? 3.â?? Voldaan . . f 131.1») N.B. bij 't begraven van dit Lijk is een seer ruijme plaats gemaakt rondom het Graf, daar de suite in een circel gestaan heeft, terwijl de notaris Zijthof de pa­ pieren las, die aan voeteneijnd van de kist, aan ider seij een bidder, die een candelaar hield (op de strijk houten geplaats) stond, terwijl het wapen aan 't hoofd eijnde stond, de vereyste articuls gelesen hebbende, ging gem. Notaris na 't wapen, verbrak -het selve en wierp het in 't graf na dat de kist neergelaten was, waarop 't wapen nog weer in order geschikt of de stukken aan malkaar gevoegd wierden, waarna de Notaris sig weer plaetste als voren en nog las het verrigte in presentie van al de Heren die 't lijk gevolgd l) Ter zijde stond: Lammers. heeft 1 kind. Cl. 30 gl.