De Nederlandsche Leeuw, jaargang 37 (1919)

99 100 VI. Dietrich von Asbeck zu Gohr (zie regesten 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11). ‚?? Hij ontving ongeveer 1413 het goed Gohr in leen en komt voor,- in de ridder¬≠ cedullen der Marksche ridderschap op de jaren 1418, 1427, 1437. ‚?? In 1423 werdt hij beleend met Kokelinck. VII. Dietrich von Asbeck zu Gohr (zie regesten 12, 13, 14, 15, 16, zijn weduwe wordt genoemd in 21). Zijn schoonvader Albert Sobbe was heer van den Grimberg. ‚?? Zie over dit adellijk huis beneden aangehaalde Bau- und Kunstdenkmaler von West falen. ‚??‚?Ę Kreiss Gelsenkirchen-Stadt, bl. 20, 21 met fraaie afb. ‚?? Laatste bezitter van het slot was Graaf Droste zu Vischering Nesselrode-Rei chenstein, die het verkocht aan de Gelsenkirchener Bergwerksgesellsch alt]. Ned. Adelsb. zegt van Dietrich, dat hij nog in 1488 leeft, 't geen ik meen te mogen betwijfelen, daar zijn zoon Johann in 1481 met Kokelinck enz. wordt beleend (zie regest 18). VIII. Godert von Asbeck zu Gohr (zie regesten 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 29, 30, 31, 32). Hij komt nog in 1538/39 voor, op de riddercedullen van*Mark (Amt Bochum) 't geen.'Ned. Adelsboek in voce onvermeld laat. IX. J√ľrgen von Asbeck zu Gohr (zie regesten 33, 34, 38, 40, 41, 43, 44). Zooals ik reeds in Nieuwe Roti., aanstipte komt het mij uiterst onwaarschijn¬≠ lijk voor, dat J√ľrgen, (zooals Ned. Adelsboek ver¬≠ meldt) tot de ridderschap van het Overkwartier heeft behoord. Hij komt niet voor op de naamlijst der Edelen sedert 1550 beschreven ter bijwoning der Vergaderingen der Staten (vgl. De Maasgouw, 1880, bl. 534 e. v., terwijl wij hem wel aantreffen op de riddercedullen der Marksche ridderschap in het ambt Bochum 1542-63, 1568 en 1577. (vgl. regesten 33 en 38). X. J√ľrgen von Asbeck (zie regesten 51, 53, 57, 62, 63). Hieruit blijkt o. a., dat hij niet in 1608 (JS/ederl. Adelsboek, bl. 35) doch reeds 13-9-1599 werd be¬≠ leend met Auf dem Berge en M√ľnsterhausen. Van af. het begin der 17do eeuw zijn tal van bewijzen (1636‚??49) erbte, da sein Vater Johann mit Anna von Schedelick ve- mahlt gewesen, ein Drittel der von Schedelichschen G-√ľter, ein spaterer Sprosse des kinderreiehen, 1666 noch zur Katholischen Religion sich haltenden, spater aber dem lutherischen, zuletzt dem reformirten Be kentnisse zugewandten Stammes, Johann Sigismund (f 1697) besasz ausser Gohr auch Gosewinkel und Hbrstgen, er starb kinderlos zu Wesel auf der Reise zum Landtage. ‚?? Ihm folgte im Besitze sein Bruder Johann Rotger, welcher 1702 zum Landtage aufgesehworen wurde, und mit TJrsula Mechtel von H√∂vell, Aebtissin zu Gevelsberg, Haus Leithe erheirathete, er blieb kinderlos, seineWitwe (f 1727) verschenkte Leithe wieder an Konrad von Strunkede zur Dorneburg. ‚?? Erbe war derNeffe, Herniann Otto von Asbeck, Herr zur Knippenburg, Kurk√∂lnischer Kam merherr (1740‚??56) dessen Frau 1749 kinderlos starb. Haus Gohr kam dann durch Heirath an die grafen Seiffel d' Aix oder zuSeiffel, welche 1798 einem Pachter das Gut √ľbergeben batten, 1807 und noch 1833 im Besitze waren, endlich an den Herzog von Arenberg, von dem es 1906 die Stadt Gelsenkirchen erwarb. Zum Gute geh√∂rten die H√∂fe oder Kotten Maibusch, Sandfurt und Kempmann in Hessier, Siemann, ferner Lockboff und D√∂rdelmann in Schalke. ‚?? Als Lehnbesitzer des der Abtei Werden geh√∂rigen D√∂rmannshofes batten die Besitzer des Hauses Gohr das Recht, die Marien-Vikarie ?.u Gelsenkirchen und die aus dieser erwachsene katholische Pfarrstelle zu Gelsenkirchen zu vergeben. ‚?? Von dem grabenumzogenen Adelshofe sind' noch Ge baudereste, unter diesen ein Fl√ľgel des alten Herrenhauses, vorhanden. voorhanden voor de juistheid van het verdere deel der stamreeks. Bij XIV. 2. valt nog op te merken, dat Jhr. Mr. Balthasar George Joost van Asbeck, heer van Luilema, niet op Lulemaborg doch op Tziaerdahuis den 13 Oct. 1740 is geboren, blijkens eene onder N¬į 65 in 't archief Lulema (Rijksarchief Groningen) berustende verklaring, luidende als volgt: ‚??Elisabeth Wurtz wed0 Colhoff verklare en attesteere by deesen voor de suivere waarheit dat Jr. Tjalling Menno van Asbeck soon van de heer Georg Maurits van Asbeck en Vrouw Everharda Johanna van Euivsum is gebooren anno 1700 ses en dartig des nademids op drie uir den een en dartigsten dag van May op Sythiema tot Hallum. En dat Jr. Georg Balthasar van Asbeck soon van voorsz. Egteluiden is gebooren Anno 1740 den 13 Octo¬≠ ber op Tzjaerdahuis. ' Geevende de attestante reedenen van weetenschap dat sy by de geboorte present is geweest, en de vrouw moeder en Jonkers in die geleegentheit hebbe opgepast en bedient. In kennisse myn hand ter praesentie van de notaris ' Wierdsma verteekent te Leeuwarden den 18 May 1754 (w. g.) Elisabeth Wurtz, wede Collhoff Wierdsma N. Publ. Eene verklaring van denzelfden zakelijken inhoud, aangaande dezelfde personen werd te Dokkum den 5 Juni 1754 ten overstaan van den Procureur-fiscaal L. P. Sevensma afgelegd door Ymkjen Geerts, wed0 Johan Frans Berger, Mr. Chirurgijn te Dokkum. Aangezien de hier volgende regesten gr ooten deels den woordelijken tekst der acta verkort weergeven, heb ik niets vertaald, om alle, zij het dan ook geringe afwijkingen te vermijden. 1.1338 Dezember 17. ‚?? Ritter Beernt van Asbeec und seine S√∂hne Rolf (nebst Frau Alferne) und Lu dolf treten alle ihre ererbten G√ľter auf dem rechten Rheinufer im Gerichte Dinslaken mit Dienstmannen, ‚?Ę Wachszinsingen und Eigenleuten an den Grafen Dietrich von Cleve ab. Dat. 1338 des donresdaechs na sente Lucien daghe. (Cleve-Mark, N¬į 223. ‚?? Original, Perg., mit den Siegeln der beiden S√∂hne, des ‚?Ę Joh. v. Wachten donck, Schwiegervaters von Rudolf und der Sch√∂ffen von Dinslaken. ‚?? Das Siegel Rudolfs ist abgefal¬≠ len , das Ludolfs zeigt die beiden Rautenreihen). Mit Urkunde vom selben Tag bekunden die Ge nannten vor dem Gericht Dinslaken, dass die G√ľter, Mannen, etc, ‚??dye hem Bemt van synre moeder ind van Willem van Holte, sinem oeme' zugefallen sind, vorn ihm mit Willen seiner andern Kinder und Erben seinem Sohn Rolove mit 200 Mark f√ľr sein Erbteil gegeben sind. (Cleve-Mark 224. ‚?? Original, Perg. mit den Sie¬≠ geln des Richters und der Sch√∂ffen. 2. 1338 Dezember 22. ‚??- Bruyn, Sohn Herrn Bemds van Asbeec, bekundet, dass er den Ubertrag des Kaufs und den Verzicht, den sein Vater und seine Br√ľder Ludolf und Rolof nebst Alferne, Rolofs' Frau, getan haben √ľber G√ľter und Leute, die sein Vater von dessen Mutter und dem Ohm W. v. Holte geerbt