Heraldisch Symposium: de inleidingen voorbij
Op een zonovergoten 3 mei vond in Den Haag het eerste Heraldisch Symposium plaats, georganiseerd door het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde in samenwerking met het CBG|Centrum voor Familiegeschiedenis. Een volle en inspirerende dag met een reeks lezingen en een afsluitend panelgesprek toonde hoe we de inleidingen voorbij gingen. Voorbij de inleidingen die in zoveel (goede) handboeken zijn terug te vinden, voorbij het benoemen van heraldische kleuren en het aanwijzen van dwarsbalken, ankerkruizen en schildhouders. Centraal stonden de vragen hoe we de laatste eeuw anders naar wapenkunde zijn gaan kijken, welke sentimenten met heraldiek samenhangen, wat de huidige heraldische stand van zaken is en hoe heraldiek zich in onze huidige tijd op een omslagpunt bevindt.
Het symposium verdeelde zich rond drie kernbegrippen waarmee we de wapenkunde kunnen benaderen en verklaren: identificatie, manifestatie en identiteit. Deze thema’s zijn uiteraard overlappend en in wezen onlosmakelijk met elkaar verbonden. De thema’s helpen ons ook om de heraldiek beter te begrijpen én toe te kunnen passen op ons begrip van heraldiek in verleden, heden en toekomst.
Identificatie | De relevantie van heraldiek voor de voerder(s) in relatie tot – al dan niet formelere identificatie. Die legitimering kan dus zowel juridisch als militair of maatschappelijk zijn. Identificatie kan, evenals identiteit en manifestatie, ook een rol bij de beeldende en toegepaste kunsten spelen.
Heraldiek is als een plant, zo stelde Hans Peijnenburg, voorzitter van het KNGGW, die al gedurende vele eeuwen groeit en nog steeds groeiende is. Via een ontdekkingstocht langs Japanse mons, de schilden van de Germaanse hulptroepen in het Romeinse Rijk en Griekse hoplieten, kwamen wij uit op het tapijt van Bayeux en de Slag bij Hastings in 1066. Peijnenburg legde uit hoe het gebruik en de ontwikkeling van heraldiek als westers fenomeen samenhingen met zowel geweld als esthetiek – waarbij het schild als afweermiddel ‘sier’ kreeg en zo ook de belangrijkste drager van heraldiek werd – en de noodzaak tot identificatie van vriend en vijand, en nam ons mee langs diverse vroege voorbeelden van identificatie via heraldiek.
Wapens werden gebruikt om personen of groepen aan te duiden met als belangrijk aspect dat heraldiek overerfbaar is. Als voorbeeld toonde hij onder andere de indrukwekkende twaalfde-eeuwse grafplaat van Godfried van Anjou (Plantagenet, genoemd naar het bremtakje dat hij op zijn helm zou hebben gedragen) in de kathedraal van Le Mans met het blauwe schild met gouden leeuwen dat hij omhangen kreeg van zijn schoonvader Hendrik I van Engeland – tekens die ook zijn (illegitieme) kleinzoon William Longespée zou overnemen op zijn grafmonument.
Met heraldiek toonde men status en territorium, maar ook meer dan dat. De heraldiek ontwikkelde zich als fenomeen van de adel, maar, zo legde Peijnenburg uit, bereikte ook de burgerij via schepenen die zich vanaf de dertiende eeuw wapens aanmaten om persoonlijk te kunnen zegelen: een belangrijk voorbeeld van legitimering van macht door middel van heraldiek (een sub thema dat gedurende de dag meermaals de revue zou passeren). Heraldiek werd in toenemende mate persoonlijk – middels aangepaste randschriften en breuken.
Ook groepsidentificatie kwam als begrip naar voren. In het laatste deel van zijn verhaal nam Peijnenburg ons mee langs de ontwikkeling en verspreiding van de heraldiek en de rol van herauten hierbinnen. Het was hun taak in slagen en strijd de partijen af te roepen en de gevallenen nadien te identificeren op het slagveld. Zij kregen steeds meer kennis van en inzicht in wapenkunde en startten met de maak van wapenboeken en wapenkaarten.
Na deze degelijke en met prachtige beelden verluchte inleiding op het basisthema ‘identificatie’ was het tijd om onze kennis over het begrip ‘identificatie’ met een praktijkvoorbeeld toe te passen. Onderzoeker Albert de Haas en heraldicus Guus van Breugel namen het publiek mee in hun heraldische puzzeltocht langs twee zestiende-eeuwse wapenrondelen van de gaffelbroeders, thans in de collectie van het Noordbrabants Museum (inv.nr. 07109 en 07110). De ronde houten borden met een diameter van een kleine 130 centimeter tonen meer van 220 wapens, waarbij er twee of meer keren verbeeld zijn. De ronde vorm duidde een gelijkheid aan tussen de wapens, maar toch was er ook een duidelijke hiërarchie. In de binnenste kring van een van beide objecten zien we twaalf schilden van vliesridders – waaronder die van Jan II van Wassenaer. Ook lege of mogelijk overschilderde schilden maken deel uit van de compositie.
De vraag waarin De Haas en Van Breugel ons deelgenoot maakten was wat deze objecten ons nu eigenlijk tonen. Zien we een sociaal netwerk, is het een bestuur of een ridderschap, of was het een groep mensen die vanuit hun stand verplicht waren deel te nemen aan de krijg? Of is het veel meer dan deze vragen bijeen?
Belangrijk om deze vragen te kunnen beantwoorden is de vraag hoe we de objecten kunnen dateren. In het centrum van beide wapentafels zien we de tekst: ‘ANNO.1693.VERNIUWT’. De stukken werden aan het einde van de zeventiende eeuw aangepast, maar waren ouder. De vraag is: hoe veel ouder? Van Breugel plaatste de wapens in de context van de Geldersche Oorlogen tussen 1502 en 1543 en toonde ons de mogelijkheid dat het hier gaat om een aristocratisch, bestuurlijk, sociaal én door familiebanden verbonden netwerk. Het is, zo stelde hij, geen heraldische momentopname van machtsvertoon – zoals de door Peijnenburg getoonde wapenkaarten dat wel waren – maar een film die ons een proces van aristocratisering binnen het gewoonterecht toont. Hoewel het onderzoek van De Haas en Van Breugel, in samenwerking met het Noordbrabants Museum en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, voortduurt, was de conclusie van de lezing dat de objecten bovenal een narratieve identificatie toonden van de Meijerijse aristocratie. ‘Men hoorde erbij omdat anderen vonden dat men erbij hoorde’, zo stelde Van Breugel, ‘en daar hoort een goed heraldisch narratief bij’.
Manifestatie | Hier gaat het om de vraag hoe (en om welke redenen) heraldiek door de eeuwen heen ‘zichtbaar’ werd gemaakt. Wat waren en zijn de (al dan niet typerende) uitingsvormen toen en nu? Hoe zal heraldiek zich op dit vlak in de nabije toekomst gaan ontwikkelen?
In zijn inleidende lezing op het begrip ‘manifestatie’ ving Olivier Mertens, bestuurslid van het KNGGW en heraldisch adviseur van de Hoge Raad van Adel, aan met een persoonlijk verhaal. Hij nam ons mee in hoe hij al jong begeesterd raakte door wapenkunst en hoe deze liefde zich ontwikkelde tot een passie voor wapenkunde. Gedurende zijn lezing stelde Mertens de vraag op welke wijze en met welke intenties heraldiek door de eeuwen heen zichtbaar werd gemaakt. Hij begon met een persoonlijk voorbeeld: het bovenlicht van het huis van zijn grootouders met daarop in glas-in-lood het wapen van de familie van zijn grootvader. Naar buiten gericht, bedoeld om te worden gezien door derden. Niet als vorm van identificatie – men wist immers wie het huis bewoonde – maar als vorm van manifestatie. Welk sentiment lag aan dit heraldisch vertoon ten grondslag?
Scheidslijnen tussen (her)kenbaarheid, prestige, trots, pronkzucht en het inboezemen van ontzag zijn niet altijd even duidelijk te trekken, zo liet hij zien aan de hand van verschillende voorbeelden. Mertens toonde ons voorbeelden van heraldische manifestatie – het zichtbaar maken waartoe men (wilde) behoren – in de vorm van wapens en het gebruik van heraldische kleuren op zegelringen, op de deuren van negentiende-eeuwse rijtuigen en twintigste-eeuwse automobielen, op de knopen van livreijassen en andere personeelskleding. Ook richtte Mertens zich op het heden, waar de rijtuigdeur als drager van wapenschilden het heeft moeten afleggen tegen nieuwe vormen van heraldische dragers, waaronder de menselijke huid (als verwijzing naar de vlucht die ook familiewapens in de vorm van tatoeages genomen hebben).
Ten slotte nodigde hij ons uit de blik te richten tot de toekomst en verroestte gebruiken kritisch te bezien. Moet ons veld de blik niet verbreden om toekomstbestendig te blijven? Neem schildhouders, met of zonder banieren. Deze waren en zijn in gebruik tot vandaag de dag voorbehouden aan de adel. Gangbaar is daarnaast in alliantiewapens de schildhouders, kroon en wapenspreuk van de man over te nemen, en niet die van de vrouw. Zijn deze gebruiken vandaag de dag nog wel actueel? Zijn verandering en de mogelijkheid tot ‘spielerei’ – waaraan wapens altijd onderhevig zijn geweest – op zijn plek binnen de wapenkunst en -kunde? Ook als dat zou betekenen dat de heraldische deuren geopend zouden zijn voor Brigitte Bardot en Jane Birkin, of twee blonde in matrozenkleding gehulde jonge mannen als schilddragers? Mertens stuurde ons de rest van de middag in met de vraag: moet iedere aanvrager van een nieuw wapen vrij in zijn keuze hoe en met welke toevoegingen deze vorm te geven?
Toen door naar de vorstelijke heraldische manifestatie in de vijftiende- en zestiende-eeuwse zuidelijke Nederlanden. Julia van Leeuwen, promovendus aan de Universiteit van Amsterdam, presenteerde ons de casus van elf overgeleverde vorstenramen van de Basiliek van het Heilig Bloed in Brugge. Van Leeuwen leidde ons door deze Bourgondisch-Habsburgse propagandacampagne en door de vraag hoe we de vervaardiging van de portreten kunnen dateren en wat de achterliggende noodzaak van deze heraldische manifestatie was.
Tussen 1483 en 1543 lieten de Bourgondisch-Habsburgse vorsten hun vorstenportretten vereeuwigen in de vorm van glasramen in de Sint Basiliuskerk te Brugge, compleet met hun wapenschilden. Tekenend, zo stelde zij, was het feit dat de vorsten zich niet knielend en devoot lieten afbeelden – zoals dat tot die tijd zeer gebruikelijk was – maar staand en ten voete uit. De kerk was publiek toegankelijk en daarmee de perfecte plaats voor vorstelijk machtsvertoon. Vervolgens gaf zij inzicht in de grafmonumenten van de Polanes en de Nassaus in de OLV kerk te Breda.
In onzekere politieke tijden – waaronder na het overlijden van Maria van Bourgondië in 1482 – was het noodzakelijk niet alleen de overledenen te eren, maar bovenal de successie en politieke legitimiteit van de dynastie te onderstrepen. Macht moest worden bevestigd en de dynastieke continuïteit gewaarborgd. Met haar casus toonde Van Leeuwen hoe heraldiek van belang was voor de belichaming van een dynastieke visie, maar ook hoe het ons vandaag de dag kan helpen om objecten, zoals deze bijzondere glasramen, te dateren en te zien in de juiste historische context.
Identiteit | Op welke wijze wordt heraldiek aangewend om zichzelf, een (familiale) groep, het ‘eigene’ te duiden? Welke rol speelt heraldische symboliek, verzinnebeelding hierin? Welke rol speelt heraldiek bij het fenomeen ‘identiteit’?
In de laatste lezing van de middag ging Guus van Breugel in op het begrip ‘heraldische identiteit’ en kijkt hij met ons in de heraldische glazen bol van de toekomst. Wapens zijn – en waren eeuwenlang – vormen van persoonlijke ‘branding’. Het verschil met vroeger tijdens is echter dat het belang van heraldiek, zo betoogde hij, verschoven is van het uiten van macht naar het uiten van identiteit.
Wapens van oude families die rusten op traditie staan tegenover de snelle veranderingen bij de nieuwe rijken. Ook veranderingen in de maatschappij hebben invloed op de heraldische praktijk, denk hierbij onder andere aan de recente verandering van het naamrecht. Door het ontbreken van handleidingen en vaste regels binnen de heraldiek in Nederland worden wapens ook steeds meer een plek om een samengestelde identiteit te uiten en persoonlijke elementen onderdeel te maken van een wapenontwerp. Van Breugel noemde de voorbeelden van gebroken ketenen, verloren kinderen, helende personen, maar ook verwijzingen naar moderne beroepen en persoonlijke passies. De tijd, stelde hij, is aan het veranderen en moderne heraldiek krijgt een nieuwe vormentaal. Vooruitblikkend ziet hij meer aandacht voor matrilineaire heraldiek, meer schildverdelingen (want meer identiteiten), meer gepersonaliseerde wapens en meer verwarring over ‘hoe het heurt’ binnen de heraldische praktijk.
Dat de dag en de vele – soms boute – uitspraken die in de lezingen naar voren kwamen voer voor gesprek waren, toonde de afsluitende paneldiscussie. Annelies van Bronswijk, Redmer Alma, Guus van Breugel, Conrad Gietman, Sebastiaan Roes en Klaas Padberg Evenboer gingen, onder leiding van Hans Peijnenburg, met de zaal in gesprek over diverse stellingen.
‘Moet men het wapen van een voorouder kunnen overnemen?’, zo luidde de stelling waarmee de discussie werd geopend. Vanuit het panel wordt direct gesteld dat men tegenwoordig met de blik van geschiedwetenschappers naar de heraldische praktijk is gaan kijken. We zijn kritischer geworden en zien het overnemen van wapens als mogelijk ahistorisch. Snel wordt betoogd registratie en praktijk los van elkaar te zien. Registratie van wapens heeft als doel regulering en normgeving. De praktijk moet weerbarstiger kunnen zijn. De aanvrager moet kunnen bepalen hoe zijn of haar wapen eruit komt te zien en of een wapen van een voorouder – deels – wordt overgenomen.
Hierbinnen voerde de discussie verder in hoeverre matrilineaire heraldiek zich vrijelijk moet kunnen ontwikkelen in het formele heraldische veld. Is het nog wel van deze tijd dat de in de patrilineaire traditie ontwikkelde heraldische normen nog altijd de praktijk en vormentaal bepalen en beheersen? De conclusie van het panel is ook hier dat men zelf zou moeten mogen kiezen onder werk embleem men zich schaart.
De vraag die hierbij direct opkomt is hoe dit te rijmen valt met de richtlijnen binnen de wapenregistratie. Wat biedt deze? Het panel is duidelijk: bescherming van de uniciteit van wapens en het voorkomen van onrechtmatige claims op bestaande wapens.
Terugkomend op de stelling wordt gevraagd of in dezen het nuttig is en gebruikelijk zou moeten zijn bij het ontwikkelen van een nieuw wapen een bestaand wapen waarop men zich laat inspireren deugdelijk te breken of kleuren over te nemen. Het panel is het hierover eens. Het overnemen van elementen en dit aanvullen met nieuwe elementen waarmee men zich kan identificeren lijkt een nieuwe lijn in het heraldische veld in te luiden. Identiteit en identificatie zijn hierbinnen opnieuw sleutelbegrippen. Maar of het geheel nieuw is? Te maken keuzes zijn altijd onderdeel geweest van de heraldische traditie en de aanvrager bepaalde altijd over welke elementen in zijn of haar wapen terecht kwamen. ‘Zo blijft de heraldiek levend’, wordt binnen het panel geopperd.
Uit de koppeling van heraldiek en de uiting van identiteit wordt de vraag gesteld of heraldiek in donkere grotten zijn relevantie verliest. Hierover spreekt het panel niet met een stem. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de historisch-wetenschappelijke kant van het heraldische gebruik en wat heraldiek kan betekenen in de uiting van identiteit binnen maatschappelijke veranderingen. Daarnaast wordt gesteld dat heraldiek in de eerste en bovenste plaats voor de aanvrager zelf is als vorm van uiting van een identiteit en dus niet primair gericht is op manifestatie: het individu is het belangrijkste publiek.
Hieruit volgt de vraag wat in die zin dan de maatschappelijke relevantie van heraldiek is. De zaal oppert dat het aanvragen van een wapen en daarmee het vormgeven van een identiteit ook een manier kan zijn om deze identiteit en de bewustwording daarvan door te geven aan het nageslacht.
De inleidingen voorbij: Heraldische Sociëteit
We bleven achter met vragen en overdenkingen: hoe zullen de veranderingen in de normgeving en vormentaal, motivatie en nieuwe heraldische perspectieven geleid door maatschappelijke veranderingen onze historische bestudering van wapenkunde veranderen en bepalen in de toekomst? Als heraldiek de visuele vormgeving kan zijn van iemands identiteit, geven meer persoonlijke en aan identiteit gebonden wapens historici dan de kans dichter tot de bestudering van de individuele aanvragers te komen? En tot hoever moet de regulering van wapenregistratie kunnen gaan in het stellen van grenzen aan nieuwe wapenontwerpen?
Met het eerste Heraldisch Symposium is aangetoond dat er voldoende voer is voor verdere discussie en gedachtewisseling over dit thema. Het KNGGW wil daarom aan het HS gevolg geven door, tenminste twee keer per jaar, een vervolgactiviteit te organiseren: de Heraldische Sociëteit, de HS. Hier zal een spreker worden uitgenodigd de deelnemers in te leiden in een vraagstuk of thema binnen de heraldiek, waarna onder het genot van een borrel een discussie of gesprek wordt gestart over dit thema.
